|
► Nieuw ◄ |
||||||||||
|
aanvullingen, volgens de hoofdstukindeling van “Smalspoor in Bedrijf” |
||||||||||
|
Hoofdstuk
13 Keramische
industrie: Swalmen Het
onderstaande is deels eerder gepubliceerd in: Ø Jaarboek Heemkundevereniging Maas- en Swalmdal 2003, pp. 124-148. Ø Smalspoor 64 (2004), pp. 14-19. Ø Tijdschrift voor Klei, Glas en Keramiek
26 (2005) nr. 4, pp. 25-27. Ø Nieuwsbrief Stichting Historie
Grofkeramiek jan. 2005 nr 23, pp. 12-14. |
||||||||||
|
De woeste grond
tussen Swalmen en de Duitse plaatsen Bracht en Brüggen was van oudsher
gemeenschappelijk bezit van die gemeenten. Men liet er vee weiden en haalde
er hout zonder zich veel van de grens aan te trekken. Midden in de
negentiende eeuw ontstonden er echter conflicten over het eigendom, waarbij
Swalmenaren gewapende overvallen op Duits gebied pleegden. Dit was de
“Swalmer Bosoorlog”. Tegenwoordig zou men van terrorisme spreken. Dit
eindigde toen officieel werd vastgelegd dat de gemeente Swalmen op Duits
gebied grond in eigendom had. Dit was een unieke situatie, die verder langs
de Nederlands-Duitse grens niet voorkwam. Later kwam de gemeentegrond op
Duits gebied goed van pas voor de levering van mijnhout en klei. Niet minder
dan tien dakpannenfabrieken in Swalmen maakten van die klei gebruik. Het kleivervoer
ging eerst per boerenkar over de verharde weg van Brüggen naar Swalmen, die
op Nederlands gebied de Bosstraat heet. In 1910 werd de NV Smalspoor Swalmen
(SSS) opgericht met als doel “het aanleggen en exploiteren van een
smalspoorweg tusschen Swalmen en de kleigroeven, over een afstand van
voorlopig 4000 m, welke tram hoofdzakelijk zal dienen tot vervoer van pannen,
klei, hout en andere zaken”. |
||||||||||
|
|
||||||||||
|
De sporen uit de
verschillende groeves over de grens kwamen juist op Nederlands gebied samen.
Vandaar liep de lijn over de Bosberg naar de Bosstraat, waar de fabrieken van
achtereenvolgens Terstappen (op bijgaande kaart aangegeven met T), Benders
(B), Noten (N) en Hermans (H) werden aangedaan. Aan de andere kant van de
Rijksweg (Roermond-Venlo) lag de bebouwde kom van Swalmen. Om hier de
fabrieken van “de Dobbelaer”(D), Hendrikx (Hx) en Schouenberg (S) te bereiken
werd een kronkelig tracé gevolgd. Het laatste stuk ging over het voorplein
van het NS-station. Dat kwam omdat dit de kortste verbinding was; er werden
hier geen goederen overgeslagen. |
||||||||||
|
|
Dat niet minder
dan zeven fabrieken van dezelfde lijn gebruik maakten en de samenwerkingsvorm
een NV was, kwam elders niet voor. De aandeelhouder in de SSS waren de
eigenaren van drie fabrieken (Terstappen, de Dobbelaer en Schouenberg). Er
waren 25 aandelen van elk ƒ 500, waarvan 20 gestort. Links is een proefdruk
van een aandeel te zien. Volgens een
opzet uit 1908 dacht men het kapitaal te besteden aan 6000 m spoor van 7 kg/m
(kant en klaar ƒ 8160), de aanleg (ƒ 1000), één paard (ƒ 600) en tenslotte de
stalling daarvoor (ƒ 600). Verder zouden er vijftien kipkarren van 3/4 m3
komen voor ƒ 64,50 per stuk. Later was sprake van kipkarren zonder rem
(ƒ 58,50) en met rem (ƒ 81). Omdat er maar één paard zou zijn, waren er geen
passeersporen nodig. Er was dan ook maar voorzien in vijf wissels, namelijk
één voor elke aangesloten fabriek (aanvankelijk waren dat er vijf) en kennelijk
één bij de splitsing tussen twee groeves. Als kosten werd gedacht aan
jaarlijks 10% afschrijving (ruim ƒ 1200), 4% rente op het kapitaal (bijna ƒ
500), ƒ 500 voor het baanonderhoud, ƒ
400 voor het onderhoud van het paard, ook ƒ 400 voor de knecht, samen ruim ƒ
3000. Voor dat bedrag zou jaarlijks 5800 m3 klei vervoerd worden;
per boerenkar kostte dit ƒ 8120. Per smalspoor zou dat minder dan de helft
zijn, maar hoe moest men de kosten verdelen ? De eigenaren van de Dobbelaer
wilden iedereen evenveel laten betalen (en hadden daar belang bij omdat ze
ver van hun groeve zaten); de andere aandeelhouders waren voor betaling naar
gebruik of per oven. Uiteindelijk werd men het eens over een prijs van 12½
cent per wagen en per 1000 meter. Die prijs gold ook voor de aandeelhouders. |
|||||||||
|
Er werd het
hele jaar door gereden, zes dagen in de week, met wat men bij de Spoorwegen
“bloktreinen” noemt. Het aantal wagens per tram was bijna altijd zes. Die zes
wagens werden steeds bij één groeve opgehaald en bij één fabriek afgeleverd.
Doorgaans werd een aantal dagen achter elkaar voor een bepaalde fabriek
gereden. Voor Schouenberg (die met 4260 m het verst van de groeves zat)
werden maximaal vier ritten per dag gereden; voor Terstappen (waarvoor de
afstand het kortst was) zes, soms zeven. In de periode van een jaar tussen 1
augustus 1910 t/m 29 juli 1911 werden 7.530 wagens vervoerd. Daarvan namen de
aandeelhouders Terstappen (24 %), de Dobbelaer (25 %) en Schouenberg (23 %)
elk ongeveer een kwart voor hun rekening. Veel wagens werden ook vervoerd
voor niet-aandeelhouder Noten (19 %), maar voor Hendrikx en Benders was dit
maar 6 resp. 2 %. Tenslotte betrof 2% van het vervoer metselzand. Een en
ander blijkt uit een door de Milieu- en Heemkunde Vereniging Swalmen bewaard
gebleven schrift, waarvan hieronder een gedeelte uit 1910 is weer gegeven. |
||||||||||
|
|
||||||||||
|
In 1915 had nog
maar één Swalmer pannenfabriek telefoon. Vervoer werd door de pannenfabrieken
per briefkaart bij de SSS aangevraagd. Het kantooradres was het adres van de
fabriek die op dat moment de directeur van de SSS leverde. Alleen de lijn en
de kipwagens waren eigendom van de SSS. In tegenstelling tot de plannen had
de SSS geen paard en geen knecht in dienst. Soms zorgde een fabriek zelf voor
paard en voerman. Maar er werden vooral twee voerlieden ingehuurd, de heren
Peeters en van Keeken. Vaak reed Peters dagen achter elkaar en dan weer van
Keeken. Soms reden ze allebei op dezelfde dag en er waren ook werkdagen
zonder vervoer. Bij de kruising met de Rijksweg lagen de straten, waarin het spoor lag (de
Bosstraat en de Veldpoort), niet in elkaars verlengde zodat juist ter plekke
van de Rijksweg een krappe boog lag. Een paard kon daar geen zes volle
kipkarren doorheen trekken. De voerman liet het paard voor de kruising
stoppen, maakte de drie achterste wagens los en ging met een rode vlag op de
Rijksweg staan. Vervolgens trok het paard de drie wagens door de bocht. Daarna
werd de procedure met de drie achterste wagens herhaald. De zaken gingen
goed en er werden kipwagens bijgekocht. Alle kipwagens kwamen van Orenstein
& Koppel in Amsterdam, zoals onder andere uit onderstaand document
blijkt. |
||||||||||
|
|
||||||||||
|
In 1921 bouwde
Terstappen een moderne ringoven. In 1925 gingen Schouenberg en Hermans
samenwerken als de Vereenigde Swalmer Dakpanfabrieken, beter bekend als de
“Vennoot”. In 1925 kwamen daar de Gebroeders Benders bij en in 1926 de
Dobbelaer. Hierna had de NV Smalspoor Swalmen in feite nog maar twee
aandeelhouders, namelijk de Vennoot en Terstappen. De Vennoot had een grote
productie en timmerde flink aan de weg. Zo exporteerde men dakpannen naar
Engeland, eerst per NS met veerbootwagens en vanaf 1925 per coaster, die
aanlegde in het nabij Swalmen aan de Maas gelegen Asselt. |
||||||||||
|
|
In 1927
schakelde de Vennoot over op motortractie door de aanschaf van een Diema loc
met fabrieksnummer 359. De krachtbron was een ééncilinder dieselmotor met verdampingskoeling.
Dat wil zeggen, de cilinder was omgeven door een met water gevulde open
ruimte. Het door de cilinder opgewarmde water ontweek als stoom. Zolang er
nog water aanwezig was, kon de temperatuur niet boven 100 °C stijgen. Het
waterverbruik was fors. uit de grote pijp midden op de motorkap ontwijken dan
ook geen uitlaatgassen, maar stoom van de verdampingskoeling. |
|||||||||
|
|
Terstappen was minder modern, want die firma kocht in 1929
bij Orenstein & Koppel een benzinelocomotief
van het type M. De twee machinisten van
Terstappen staan voor de loc, die kennelijk in eigen beheer van een dak en
zijwand is voorzien. Desondanks is het aan de asophanging te zien dat het
inderdaad een O&K type M betreft. De kipkarren
lijken sterk op die van de vorige foto. |
|||||||||
|
Toen de crisis
toesloeg, ging de Vennoot in 1936 failliet. De sporen naar de fabrieken
bleven lang liggen. Van de vier fabrieken werd die van Benders in 1940
afgebroken. De rest beleefde na de oorlog nog een opleving als NV
Kleiwarenindustrie Swalmen. In 1951 deelde de directie daarvan aan B&W
mee dat het smalspoor in de bebouwde kom werd opgeheven. De gemeente zou het
spoor opbreken op kosten van genoemde NV. De Diema van de Vennoot is naar
Alphen a/d Rijn gegaan. Wanneer is onbekend; duidelijk is wel dat na WOII nog
vervoer met paardentractie heeft plaats gevonden, in elk geval voor Hendrikx. Na 1936 bleef
Terstappen dus als enige aandeelhouder in de NV Smalspoor Swalmen over.
Waarschijnlijk was dit de reden dat de NV Smalspoor Swalmen op 1 juli 1940
werd opgeheven. Dit betekende geenszins het einde, want in elk geval bleef
Terstappen een deel van de lijn gebruiken. De benzineloc reed twee maal per
dag met acht wagens klei voor de fabricage van rode dakpannen in de ringoven.
In 1949 kocht Terstappen een nieuwe loc, Diema fabrieksnummer 1259 van het
type DS12. Deze reed drie maal per dag met tien wagens over een eigen lijn
naar een tweede groeve van Terstappen, “Ulegaten”. Hieruit kwam de klei voor
de in Kasseler ovens gebakken blauwe (zilverkleurige) dakpannnen. De twee
lijnen waren door een wisselverbinding verbonden. Na WO II
ontstonden firma’s met specialistische apparatuur als graafmachines en
bulldozers, die klei wonnen. Het was voor Terstappen goedkoper om de klei
voor de rode dakpannen van zo’n firma te betrekken. Deze klei werd met
vrachtwagens tot op het fabrieksterrein gebracht. De O&K
benzineloc ging daarom in 1954 uit dienst. De klei voor blauwe dakpannen was
echter vrij zeldzaam. Zodoende bleef Ulegaten - en daarmee de Diema dieselloc
- nog in bedrijf tot 1961. De blauwe dakpannen hadden toen aan populariteit
ingeboet en er werd overgegaan op de
fabricage van genuanceerde gesmoorde dakpannen in overslaande vlamovens. Het
is niet bekend wat er met de O&K gebeurd is. De Diema ging naar Torfwerk
Dalum van Trio NV. Er is geen in Swalmen genomen foto van deze Diema bekend. |
||||||||||
|
|
Anders dan in
de naburige kernen Reuver, Tegelen en Belfeld is de grofkeramische industrie
geheel uit Swalmen verdwenen. In 1961/62 verkocht de gemeente Swalmen de 174
hectare op Duits gebied. Bij de firma
Robbelien staat een aardig monument met de openingstijden (zie foto links,
gemaakt in september 1998).
De kipkarren komen van Laumans in Tegelen en de in 1952 onder fabrieksnummer
113 gebouwde Spoorijzer Railtractor type RT10 is via een handelaar van de NV
Steenfabriek Tienray gekomen. Behalve enkele
straatnamen herinnert verder niets aan de “pannensjoppen”. Wel kan men in de
Gemeentebossen (De Bosberg ) aan spoorwegarcheologie doen. In dit
“stiltegebied” is een diepe ingraving voor het smalspoor nog zeer goed te
zien. Op Duits gebied treft men ook ingravingen aan en deels met water
gevulde en deels dicht gegroeide groeven. |
|||||||||
|
Gegevens en
foto’s zijn onder meer afkomstig van: ·
A.M.
Nijssen “Swalmer Mensen”. ·
H.
Alers e.a. “Swalmer Industrie van vroeger en nu”. ·
Inschrijving
in Handelsregister en oprichtingsacte van Smalspoor Swalmen, berustend bij
het Rijksarchief Limburg. ·
P.J.
Leppers, voorheen bedrijfsleider bij de Gebr. Terstappen. ·
Gemeente-archief
Swalmen. ·
Milieu-
en Heemkunde Vereniging Swalmen. |
||||||||||