Welkom

Inhoud

Inleiding

Andere tractie

Spoorwijdte

Producenten

Import & handel

Eigenaars

Materieel

Links

Contact

Nieuw

 

Stoomtractie op smalspoor

Stoomtractie op normaalspoor

Motortractie op smalspoor

Motortractie op normaalspoor

 

Boeken

Aanvullingen

Tijdschriften

Raadsels

Tekeningen

`

Orenstein & Koppel RL1 voor smalspoor

Heidemij 018

 

 

De dieselloc van het type RL1 leek uiterlijk sterk op de benzineloc van het type M. Net als bij dat type werkt de rem alleen op de achteras. De RL1 is wel – bij dezelfde radstand en wieldiameter – langer en heeft een motorkap in de vorm van een hondenhok, terwijl de vlakke motorkap van type M afgeschuinde zijkanten heeft. De bak aan de achterzijde is bedoeld voor ballast. Klik voor de verschillen tussen de lichte en zware uitvoeringen RL1a en de RL1c.

 

Zie deze tabel voor meer gegevens, deze lijst voor Nederlandse gebruikers en klik voor Nederlandse foto’s van de uitvoeringen

-          RL1a: hier en daar

-          RL1c: hier

 

Zoals uit bovenstaande tekening en de foto’s hiernaast blijkt, zijn de aspotgeleidingen voor de voor- en achteras verschillend.

 

De foto’s van de aspotgeleidingen zijn op 2 augustus 2009 genomen in het Decauville Spoorweg Museum in de Harskamp en betreffen de in onderdelen aanwezige loc 23.

Het voorbeeld van de vooras (linker foto) ligt zonder aspot in een bak met onderdelen. Door de twee bouten los te nemen kan het onderste deel verschoven worden en de ketting gespannen worden.

Het voorbeeld van de achteras staat –compleet met aspot en veer – los tegen het frame (rechter foto). Hier kan niets verschoven worden.

De lichte benzinetypes H1 en M hadden  soortgelijke aspotgeleidingen. Zie hieronder  voor een tekening van de RL1 aspotgeleiding. Duidelijk is dat de voorste as wel geveerd is; bij het type M is dat niet het geval.

Asophanging vooras: aanzicht

Asophanging achteras: aanzicht

 

O&K scheenplaat voor aanzicht

 

 

O&K scheenplaat achter aanzicht

 

De voorste asophanging is gedeeld; het bovenste deel is vast met het frame verbonden.  De twee delen zijn met bouten verbonden. Door de bouten los te draaien kon het onderste deel (met de scheenplaten) verschoven worden om zo de kettingen (van motor naar vooras en van vooras naar achteras) te spannen. Ook de allerlichtste benzineloc van het type M en de lichtste dieselloc type RL I hebben deze ongelijke asophangingen bij voor en achteras.  De zwaardere types H 2 en RL II hebben een asophanging met bladveren, die bij voor en achteras gelijk is.

 

Asophanging vooras: doorsnede

 

Asophanging achteras: doorsnede

 

O&K scheenplaat voor doorsnede

 

 

O&K scheenplaat achter doorsnede

De bron van de tekeningen is een via dr. Rolf Löttgers verkregen lijst met reserve-onderdelen voor het type RL I. Aan die lijst zijn tekeningen toegevoegd om aan te geven waar in de loc de verschillende bestelnummers te vinden zijn.

 

Men ziet dat de aspotten voor en achter (15753 en 15754) ongelijk zijn. De spiraalveren (15772) zijn bij de voor- en achteras wel gelijk.

Wie weet hoe twee kettingen (van versnellingsbak naar vooras en vooras naar achteras) gespannen kunnen worden door alleen de vooras te verschuiven ?   Het antwoord van Tjalling Ament is:

Beide kettingen zijn ongeveer even lang. Beide kettingen maken even veel draaiuren, in dezelfde omstandigheden, met dezelfde kracht. In principe zullen de kettingen even snel slijten, en kan dus volstaan worden met 1 punt om de ketting te spannen. De

kettingen die gebruikt worden zijn al vrij nauwkeurig gemaakt. Het nadeel ten opzichte van een korte ketting vanaf de

versnellingsbak naar de achteras is: er is een langere ketting nodig, dus hogere onderhoudskosten. Kettingen zijn (dure) slijtdelen.

 

 

 

 

 

{

Lijst tekeningen

Terug/verder naar:

 

 

Nieuw                      Home                      Inhoud